Over Ons

Over Ons

Voor een kind in de Rivierenbuurt is het heden ten dage de gewoonste zaak van de wereld dat er een speeltuin is. Bijna niemand vraagt zich af waarom die speeltuin er is en juist daar. De speeltuin is bij de vaste inventaris van de buurt gaan behoren. Niemand heeft er enige weet van dat het verkrijgen van de speeltuin een rechtstreeks gevolg was van de leegloop van agrarisch Nederland naar de grote steden met een opkomende industrie, hetgeen werk gelegenheid betekende. De kinderen van deze nieuwe generatie werkmensen zwierven door de oude buurten en haalden allerlei kattenkwaad en rottigheid uit. Al midden 19e eeuw bedacht het Amsterdamse gemeente raadslid Tetterode, met zijn Vereniging voor de Veredeling van Volksvermaak op verschillende plaatsen in de stad, de speeltuin om deze straatschenderij de kop in te drukken. Een project dat na een aantal jaren mislukte omdat deze speeltuinen met toegangskaartjes geleid door regenten ver van de wensen van het gewone volk opereerde. Pas op het moment van de oprichting in 1900 van een speeltuinvereniging met leden uit het volk door de Friese scheepstimmerman, Uilke Jans Klaren, op Kattenburg werd de speeltuin een serieuze beweging. Ons bsv Amsterdam Zuid mag met trots vast stellen dat zij rechtstreeks afstamt van deze eerste speeltuin initiatieven. Rond de vorige eeuw wisseling kwam de arbeiders emancipatie volledig op gang. In de talloze demonstraties werd door voorlieden als Domela Nieuwenhuis regelmatig gesproken over de rechten voor de mensen die het geld voor hun bazen met hun eeltige handen verdienden. Eén van die rechten werd een fatsoenlijke behuizing zoals in 1901 in de woningwet door het progressieve liberale kabinet Pierson werd vastgelegd. Een wet die onder meer een gevolg was van de genoemde volksverhuizing van het platte land naar de stad waarbij de arbeiders hun gezinnen niet langer in kelder woningen en krotten wilden opsluiten. De huisvesting wet was verantwoordelijk voor een ‘geboortegolf’ aan woningbouw verenigingen, met de nadruk op verenigingen. De stedeling stond als het ware in de rij om lid te mogen worden van de hun meestal verzuilde bouw vereniging. Licht en gezond wonen met een water closet en een gaspit in de keuken, bij voorkeur dichtbij het werk was het streven. Zo ook voor de gasarbeider van de Zuidergasfabriek aan de Amstel. De hevige stadsuitbreiding onder meer door de initiatieven van de woningbouw verenigingen vroeg om meer gas waardoor, mede gelet op het bouw Plan Zuid van bouwmeester Berlage, in de Duivendrechtse polder aan de Amstel een splinternieuwe gasfabriek verrees. De arbeiders van deze fabriek maakten in 1911 gebruik van de woningwet en richtte de woningbouwvereniging Amsterdam Zuid op om aan de overkant van de Amstel aan de toen nog Trompstraat aan de rand van de stad een eerste woonblok te realiseren.

Waar gewoond wordt, leven en spelen kinderen. Kinderen met eveneens rechten waren de geëmancipeerde arbeiders van de gasfabriek van mening, na de oprichting van de woningbouw vereniging was de oprichting van een speeltuin vereniging (1921) een logisch gevolg. Toeval, zover dat bestaat, zorgde ervoor dat één van de gasfabriek werkers Tjerk Klaren, de zoon van de oprichter van het speeltuinwerk in Nederland, was. Tjerk ’s buurman, vriend en muntopnemer van de gasfabriek, Henk Lucassen werd besmet met het speeltuinvirus en zette al zijn intellectuele gave in om zowel van de woningbouwvereniging als van de speeltuin Amsterdam Zuid een maatschappelijke beweging te maken in de nieuwe buurt zo vlak tegen het latere Berlages Plan Zuid aan. Beide organisaties bleken een succes formule ten gevolge van vooral eigen inzet van de arbeiders gezinnen met regelmatig een financieel steuntje in de vermoeide rug op voorspraak van SDAP wethouders (Wibaut en de Mirande) en directe beleidsambtenaren (ing. A.Keppler, directeur woningdienst). Tot zelfs een kindervakantiehuis werd in ’t Gooi gerealiseerd. Pas tijdens de oorlogsperiode (1940-1945) stokte deze welzijnsmachine in de Rivierenbuurt. Uit racistische overwegingen werden dertien duizend Joodse buurtgenoten waarvan vele speeltuin en woningbouwleden gedeporteerd naar Duitse vernietigingskampen om nooit meer terug te keren. De speeltuin hield hieraan een git zwarte bladzijde in haar geschiedenis over. (Kindermonument, ‘Markt voor Joden’) Na deze waanzinnige wrede oorlog herpakte de vereniging haar doelstellingen en het waren vooral de 2e generatie gezinnen van de oprichters die voor het herstel van welzijn en spelen in de buurt zorg droegen.

Bijzonder was het dat onze speeltuin Amsterdam Zuid als eerste speeltuin in Amsterdam in 1976 haar speeltuin open stelde voor kinderen van niet leden. Het bleek dat vele kinderen van gastarbeiders (dus niet gas maar nu gast arbeiders) uit Turkije, Marokko en in mindere mate uit Spanje en Italië voor het hek van de speeltuin toekeken hoe hun vriendjes en vriendinnetjes schommelden of de klimkooi onveilig maakten. Hun ouders kenden het fenomeen van lid zijn van een vereniging niet en hadden onvoldoende inkomen om hun kinderen dagelijks een kwartje toe te stoppen voor een toegangskaartje van de speeltuin. Met de gemeente werd overeen gekomen dat de speeltuin vereniging gecompenseerd zou worden met een bijdrage voor het clubwerk (clubwerk subsidie) voor het inkomsten verlies dat door het vrij toegankelijk maken van de speeltuin het gevolg was. Negatief was het te ervaren dat de speeltuinverenigingen een groot ledenverlies moesten vaststellen door deze openstelling, want een deel van de bevolking reageerde met de kreet, “als de Marokkaan niet meer behoeft te betalen, dan wij ook niet meer! ”. Een onwaardige reactie van de bevolking van het eens zo rode Amsterdam.

Aan het einde van de 20ste eeuw werd de speeltuin geconfronteerd met de invoering van de stadsdeelraad. De speeltuin vereniging ging het gevecht aan met de nieuwe overheid om haar zelfstandigheid te behouden die het plan had de speeltuin vrijwilligers onder te brengen bij een beroepsmatige welzijn stichting. Het gevecht duurde kortstondig, de stadsdeel bestuurders hadden via hun commissie van goede diensten heel gauw in de gaten dat die speeltuin vrijwilligers voor relatief weinig subsidiegeld een berg van efficiënt welzijnswerk verrichtte. De erkenning van het speeltuinwerk was zelfs dusdanig dat het stadsdeel een uitbreiding van het verenigingsgebouw in 1995 mee financierde om het welzijnsaanbod (naschoolse activiteiten) te kunnen uitbreiden. Het bleek een heel goedkope investering ten opzichte van de enkele miljoenen verslindende professionele welzijn stichting die in een faillissement eindigde.

Bij aanvang van de nieuwe eeuw na een zoveelste stadsdeelraad fusie manifesteerden steeds meer stadsdeelsectoren met hun ambtenaren om onbekende redenen zich nadrukkelijker met het beheer van de speeltuin die al sinds maart 1923 in de vertrouwde handen was geweest van de leden van de speeltuinvereniging. Plotseling werden er beheerovereenkomsten opgesteld tussen een overheid en de speeltuinvereniging met rechten en vooral plichten. Het onderhoud aan de speeltuin, dat altijd op verzoek en aanwijzing van de vereniging plaats vond, werd regelmatig uitgevoerd zonder dat de beheerder, de speeltuinvereniging, er van weet had of was onvoldoende geïnformeerd. De speeltuin werd door de nieuwe overheid niet langer als een door de bsv Amsterdam Zuid beheerd terrein ervaren maar als één van de vele pleinen in de Rivierenbuurt. De vraagstelling deed zich nu voor of de buurtpolitiek de Haagse voorstellen over participatie maatschappij, waarbij de burger zelf opnieuw deel uitmaakt van het dagelijks leven, de nek om wilde draaien want als er één vereniging in de buurt was die wist wat participeren is, is het de bsv Amsterdam Zuid al 95 jaren wel.

Maar ook in eigen (club) huis tekent zich een soort van markteconomie af. Tot voor kort was het clubhuis bevolkt door een veelvoud van ouderen en jeugd clubs onder de hoed van de buurt en speeltuinvereniging Amsterdam Zuid. Clubcommissies zorgden voor de juiste uitvoering van hun de clubdoelstelling van de kinderkookclub tot de aan de yoga toe. Maandelijks ontving de vereniging penningmeester de financiële clubadministratie zodat hij/zij altijd de vinger aan de ‘club pols’ kon houden om zo nodig bij te sturen en eventuele malversaties te voorkomen. Tevens was er een gevoel van solidariteit tussen de clubs, zij behoorden ondanks de verschillende doelstellingen alle tot één vereniging met dezelfde plichten en rechten. Deze solidariteit van 95 jaren wordt gesymboliseerd in ons vignet, de speeltuin vuist. Ten gevolge van, laten we het noemen, bestuurlijke oneffenheid of onervarenheid, is er de laatste 2 jaren het marktdenken in onze vereniging geslopen. De clubs kregen de mogelijkheid om het verenigingsgebouw te gebruiken voor hun hobby voor alleen het lidmaatschap van de vereniging. Financiële verslaglegging oftewel verantwoording geven aan de leden hetgeen met de clubgelden wel of niet gedaan is, was niet meer aan de orde. Eventuele positieve clubsaldi kwamen niet meer in onze algemene pot waarmee wij de financieel zwakkere clubs konden ondersteunen. Van onze trotse solidariteit van vele clubs onder één kap was weinig meer over. Onze speeltuin vereniging leek verworden tot een verhuurbedrijf, hetgeen gelukkig onze statuten niet toe staan. Het was daarom dat het in september nieuw aangetreden bestuur in de winter maanden in overleg is gegaan met onze clubs en hen de keus hebben gegeven terug te keren naar onze vertrouwde organisatie structuur van voor en met elkaar en anders elkanders wegen te doen scheiden. Het geeft een hoopvol gevoel dat tot op dit moment er slechts één club is geweest, het Schinkelkoor, die zich niet kon vinden in de statutaire regels van onze vereniging en heeft per januari 2016 afscheid genomen.

 

Hoe nu verder in onze gang naar ons eeuw feest.

Vele jaren hebben wij ons kunnen veroorloven om te doen of die wereld buiten hek van de speeltuin geen invloed had op onze vereniging en haar speeltuin. Wat hadden en maakten onze eigen veilige tijdloze regels. Nu de beslissingen over de ondersteunende subsidies weer genomen gaan worden door de centrale stad moeten wij onze producten weer ordinair als een soort van vertegenwoordiger gaan verkopen. Dat is zeker niet onze doelstelling maar wel een realiteit van de hedendaagse wereld om ons heen. Geld, bezuinigingen, geld en weer bezuinigingen, zijn de onderwerpen waarmee wij niet willen maar wel mee geconfronteerd worden.

Onze doelstelling is ,en als het aan ons ligt, blijft tweeledig;
het behouden en beheren van de speeltuin met het verenigingsgebouw en het bieden van clubwerk activiteiten voor zowel jong als oud. Ten gevolge van het regerings attractiebesluit met wetgeving in 1997 is het ons, als vrijwilligers, niet meer mogelijk, zoals in 1979-1981 toen wij met ondersteuning van de gemeentelijke dienst DOW de oude speeltuin met ‘eigen mensen’ renoveerden, om de speeltuinattributen en toestellen technisch te onderhouden, hiervoor zal de overheid financiële zekerheid moeten bieden, net zoals voor het beroepsmatige toezicht op de speeltuin en begeleiding van het juiste gebruik hiervan. Overigens is de vereniging nu en in de toekomst in goede staat om het volledige beheer zowel technisch als voor het personeel te voeren, hiervoor is ambtelijke ondersteuning absoluut niet noodzakelijk.

Wanneer de gemeente garandeert de huidige structurele exploitatie kosten voor het beheer van het verenigingsgebouw ook de komende 5 jaren te dragen, is de bsv Amsterdam Zuid in staat op haar beurt de garantie te geven dat zij een veelvoud aan laagdrempelige clubwerk te blijven bieden op de kosten van de vereniging. Simplistisch gezegd, geef ons de gereedschappen en wij doen gratis het werk. Over participatie gesproken!

Om de efficiëntie ook in de welzijnssector in de toekomst in onze buurt te bevorderen is het eveneens de plicht van de vereniging om overlappingen in het activiteiten aanbod te voorkomen en nauwe samenwerking aan te gaan met organisaties met een gelijkluidende doelstelling, zelfs als wij hiervoor de betreffende organisaties werkruimte moeten bieden. Belangrijk is hierbij wel om de verenigingsvorm te behouden zodat de leden altijd invloed houden op het te voeren beleid.

Het speeltuinwerk heeft altijd haar bezieling gehad in het zelf doen, al is dat met de huidige wet en regelgeving vrijwel onmogelijk geworden. Toch mag dat zelf doen door de dadendrang van overheidsbestuurders en ambtenaren niet tot geschiedenis worden verwezen want Multatuli zei het al in de Max Havelaar; “want niet in het snijden der padie is de vreugde, de vreugde is in het snijden der padie die men zelf geplant heeft”, of te wel men geniet de meeste vreugde van hetgeen men zelf gemaakt heeft.
Laat dit een lijfspreuk worden van de minister of wethouder met een zoveelste bezuiniging voor de deur dan kunnen wij met een gerust speeltuinhart op weg naar onze honderd jaren.